Defensieweb wiki
Advertisement

USS Baltimore


De USS Baltimore (CA-68), de vijfde vernoemd de stad Baltimore was een kruiser en naamgever van de Baltimoreklasse. De Baltimore werd op 28 juli 1942 te water gelaten door bij de Bethlehem Steel Company in Fore River, Massachusetts, en gedoopt door mevrouw Howard W. Jackson, echtgenote van de toenmalige burgemeester van Baltimore. Het schip werd in dienst genomen op 15 april 1943 onder commando van kapitein-ter-zee W. C. Calhoun. Gedurende de Tweede Wereldoorlog is het schip actief geweest in de Grote Oceaan. Na de Tweede Wereldoorlog was het deel van de scheepsbezettingstrijdmacht in Japan. Na een tijd onderdeel te zijn geweest van de Amerikaanse reserve vloot is het schip in 1951 weer in actieve dienst genomen en heeft het deel uitgemaakt van vlooteskaders in de Middellandse Zee en het Midden-Oosten. In 1956 werd het schip weer in de reserve vloot van de Amerikaanse marine opgenomen te worden om in 1971 te worden verkocht voor recycling.

De Baltimore tijdens de Tweede Wereldoorlog[]

Tussen november 1943 en juni 1944 werd de USS Baltimore (CA-68) mede als geschutsondersteuning en dekkinggevende eenheid ingezet, in de Grote Oceaan, voor de Amerikaanse landingsstrijdkrachten bij:

  • de invasie de Makin eilanden, (20 november - 4 december 1943);[1]
  • de invasie op Kwajalein (29 november 1943 - 8 februari 1944);[1]
  • de raid op Chuuk|Truk (16 en 17 februari);[1]
  • de inname van Enewetak|Eniwetok (17 februari - 2 maart);[1]
  • de aanval op de Marianen (21 en 22 februari);[1]
  • de raids op Palau - Yap - Ulithi - Wolesi (30 maart - 1 april);[1]
  • de landing op Hollandia (Nederlands Nieuw-Guinea) (beter bekend als Jayapura) (21 tot 24 april);[1]
  • de aanvallen op Truk - Satawan - Ponhpei|Ponape (29 april - 1 mei);[1]
  • luchtaanvallen en ondersteuning tegen Marcus Eiland (19 en 20 mei) en Wake eiland op 23 mei;[1]
  • de invasie op Saipan (11 juni - 24 juni) en de Slag in de Filipijnenzee op 19 en 20 juni.[1]

Na deze intensieve strijd keerde de Baltimore, in juli 1944, terug naar de Verenigde Staten. De kruiser nam daar President Franklin D. Roosevelt en zijn diplomatiek gevolg aan boord en voer met deze belangrijke delegatie naar Pearl Harbor. Na de ontmoeting met Vlootadmiraal Chester Nimitz en Oppergeneraal Douglas MacArthur werd de Amerikaanse President naar Alaska gebracht waar de Baltimore op 9 augustus 1944 weer vertrok.[2]

De Baltimore keerde hierna terug naar het oorlogsgebied waar het, in november 1944, werd ingedeeld bij het 3e Vlooteskader. Als onderdeel van het 3de vlooteskader nam de Baltimore deel aan de aanvallen op Luzon (14 tot 16 december 1944 en op 6 en 7 januari 1945), en Okinawa op 22 januari.[2]

Op 26 januari 1945 werd de Baltimore toegevoegd aan het 5de vlooteskader en nam deel aan de aanval op het eiland Honsgu op 16 en 17 februari en raids ter ondersteuning van de aanval op Okinawa op 18 maart tot 10 juni.[1]

Voor de verdiensten in de Stille Oceaan gedurende de Tweede Wereldoorlog ontving de Baltimore negen Battle Stars.[1]

De Baltimore na de Tweede Wereldoorlog[]

Na de beëindiging van de vijandelijkheden met Japan diende de kruiser als eenheid van de "Magic Carpet"-vloot en nam daarna deel aan de scheepsbezettingstrijdmacht in Japan (29 november 1945 tot 17 februari 1946. De USS Baltimore vertrok op 17 februari 1946 vanuit het Verre Oosten en keerde terug naar de Verenigde Staten om daar, op 8 juli 1946, op non-actief gesteld te worden en te worden op genomen als reserve te Bremerton, Washington.[2]

De Baltimore werd weer in dienst gesteld op 28 november 1951 en ingedeeld bij de Amerikaanse Atlantische Vloot. Het schip werd toegevoegd aan het 6de vlooteskader in de Middellandse Zee tijdens de zomerperiodes van 1952, 1953 en 1954.[2]

In juni 1953 vertegenwoordigde Baltimore de Amerikaanse marine tijdens de Coronation Naval Review te Spithead in Groot-Brittannië. Op 5 januari 1955 werd het schip overgeplaatst naar de Pacifische vloot en werd het ingedeeld bij het 7e Vlooteskader in het Verre Oosten, tussen februari en augustus 1955.[2]

Na terugkeer in de Verenigde Staten werd de Baltimore gereviseerd en weer toegevoegd aan de reserve vloot in Bremerton op 21 mei 1956. De Baltimore werd daarna geschrapt,op 13 februari 1971, uit het register van de Amerikaanse marine. Op 10 mei 1972 werd het schip voor recycling in Portland, Oregon verkocht en definitief geschrapt uit het register van de Amerikaanse marine.[2]


Noord-Koreaanse propaganda[]

Een museum in het Noord-Koreaanse Pyongyang bewaart een propaganda affiche waarop vermeld staat dat de Baltimore,op 2 juli 1950, tot zinken werd gebracht door de Noord-Koreaanse marine. De minionderzeeboot die de Baltimore tot zinken zou hebben gebracht is daar ook tentoongesteld. In feite werd de Baltimore nooit ingezet in de Koreaanse Oorlog, evenmin nam ze nog ooit deel aan strijdacties na de Tweede Wereldoorlog.[2]

specificaties[]

}}

Advertisement