Een onderzeeboot, onderzeeër of duikboot, is een vaartuig dat onder water kan varen. Vanwege deze mogelijkheid is hij in eerste instantie onzichtbaar voor mensen die aan de oppervlakte varen. Militaire onderzeeboten zijn vaak lastig op te sporen vanwege hun missie: ze dienen zich verborgen te houden totdat de opdracht komt om tot de aanval over te gaan. Manieren om een diep varende onderzeeboot op te sporen zijn met behulp van actieve ("pingen") of passieve (luisteren) sonar, of door het meten van storingen in het aardmagnetisch veld (Magnetic Anomaly Detection - MAD). Een onderzeeboot die aan de oppervlakte of nog heel dicht daaronder vaart is op de radar zichtbaar en op geringe diepte ook nog met het oog, vooral vanuit de lucht.

Korte geschiedenis[bewerken | brontekst bewerken]

Van Alexander de Grote gaat het verhaal dat hij (ruim drie eeuwen voor onze jaartelling) al afdaalde in een duikerklok naar de bodem van de zee. Of dat op waarheid berust is niet zeker, vaststaat dat duikerklokken, of vergelijkbaar, al lang bekend zijn, onder andere bij parelduikers.

Het eerste vaartuig dat werkelijk onder water voortbewoog is vermoedelijk ontworpen en gebouwd door de Nederlandse uitvinder Cornelis Drebbel. Tussen 1620 en 1624 nam Drebbel proefnemingen met een onderzeeboot op de Theems. Voortbewogen door enkele roeiers zou dit vaartuig daadwerkelijk een afstand onder water hebben afgelegd, op dieptes variërend tussen vier en vijf meter.

In 1776 werd voor het eerst een onderwatervaartuig gebruikt bij oorlogvoering. De Turtle, ontworpen door David Bushnell, bracht een springlading aan bij een Brits fregat. Veel schade heeft deze waarschijnlijk niet berokkend, want in Britse documenten wordt van dit incident geen melding gemaakt.

Was de Turtle nog een duikerklok met handaandrijving, de Fransen legden zich toe op vaartuigen die al meer op echte onderzeeboten leken. De Amerikaan Robert Fulton bouwde in 1801, in Franse dienst, de Nautilus (een naam die nadien wel vaker geassocieerd wordt met onderzeeboten).

Bestand:Ictineo II.jpg

Replica van de Ictíneo II bij de haven van Barcelona. Het origineel werd in 1864 door Narcís Monturiol gebouwd.

Narcís Monturiol bouwde in 1859 de Ictíneo I, bedoeld voor de koraalvisserij. In 1864 volgde de Ictíneo II.

De eerste, op latere onderzeeboten gelijkende, vaartuigen die aan de strijd deelnamen werden gebruikt tijdens de Amerikaanse burgeroorlog. De handaangedreven CSS Hunley bracht als eerste onderzeeboot een vijandelijk schip tot zinken in 1864. Na deze raid zonk de CSS Hunley naar de zeventig meter diepe zeebodem. De acht bemanningsleden kwamen om.

Duikboten en onderzeeboten[bewerken | brontekst bewerken]

Bestand:Franse-duikboot-WO-I.jpg

Franse duikboot uit de Eerste Wereldoorlog

De Nederlandse marine maakt een hardnekkig onderscheid tussen enerzijds duikboten en anderzijds onderzeeboten. Volgens dit onderscheid is een duikboot een vaartuig dat zich voornamelijk boven water verplaatst en pas onder water gaat om aan tegenstanders (bijv. torpedobootjagers) te ontsnappen of voor het aangaan van een aanval. Tot aan het eind van de Tweede Wereldoorlog was dit de gewone werkwijze voor onderzeeboten. De topsnelheid was aan de oppervlakte doorgaans groter dan onder water. De U-boot is een typisch voorbeeld van een duikboot.

USS Cavalla

Een onderzeeboot daarentegen blijft langer onder water en komt slechts aan de oppervlakte zodra dat nodig is. Dit werd pas mogelijk door de introductie van kernenergie omstreeks 1955 of door de toepassing van een snuiver installatie, al in 1939. Aangezien de Nederlandse marine de eerste was die de snuiver toepaste en zij zich er van bewust was dat haar duikboten daardoor langer onder water konden blijven dan de vaartuigen van andere mogendheden is zij dit onderscheid gaan maken.

Dit strikte onderscheid tussen duikboot en onderzeeboot is elders onbekend.

Voortstuwing[bewerken | brontekst bewerken]

De voortstuwing was tot het eind van de 19e eeuw een groot probleem. De (primitieve) vaartuigen die van handkracht gebruik maakten waren zeer beperkt in snelheid en actieradius. Een enkel vaartuig gebruikte dan wel een zeil, maar het effect van verrassing was dan verloren. Datzelfde gold voor het enkele model dat omstreeks 1860 een stoommachine als voortstuwing had. Door de dikke rookpluim was dat schip al van ver waar te nemen.

Pas aan het einde van de 19e eeuw kwam er met elektromotoren een acceptabele krachtbron beschikbaar. De beperkte levensduur van de accu's verhinderden echter nog steeds een langdurig verblijf op zee. Deze beperking werd opgelost door het installeren van een dieselmotor, zodat de elektrische aandrijving alleen voor de onderwatervaart benut hoefde te worden. Boven water varend kon de onderzeeboot dan bovendien de accu's opnieuw opladen. Deze dieselelektrische voortstuwing werd in de 20e eeuw snel gemeengoed.

Desondanks bleef men verder zoeken naar een voortstuwing die een permanent verblijf onder water mogelijk kon maken. De uitvinding van de snuiver (1938) was al een belangrijke vooruitgang. Aan het eind van de Tweede Wereldoorlog was de Duitse Kriegsmarine al ver gevorderd met de toepassing van waterstofperoxide als brandstof. Hiervoor was geen aanvoer van buitenlucht meer nodig. Het brandgevaar hiervan verhinderde echter een verdere ontwikkeling na de oorlog. De toepassing van kernenergie vanaf 1955 maakte dat de inzet van de onderzeeboot in feite alleen werd beperkt door het uithoudingsvermogen van de bemanning.

Ook tegenwoordig wordt er veel energie gestopt in het onderzoek naar "air independent" voortstuwingssystemen.

Een onderzeeboot heeft een schroef om voor- en achteruit te varen. Door ballast in te nemen of uit te stoten kan hij omlaag of omhoog. De vorm van de schroef van een onderzeeboot is één van de best bewaarde militaire geheimen omdat experts uit de vorm van de schroef veel te weten kunnen komen over de capaciteiten van die onderzeeboot.

Diepteregeling[bewerken | brontekst bewerken]

Een onderzeeboot heeft een aantal ballasttanks voor de diepteregeling. Om onderwater te gaan worden de hoofdtanks gevuld met water. Daarna worden de trimtanks afgetrimd op neutrale vaart, dat wil zeggen de onderzeeboot net zo zwaar is als het water dat hij verplaatst waardoor hij volgens de wet van Archimedes in rust niet zal stijgen of dalen.

Om te stijgen of te dalen wordt gebruikgemaakt van de zgn. duikroeren. Deze bevinden zich bij aan weerszijden van de romp (voor en achter), of in het midden, aan weerszijden van de toren. Een onderzeeboot heeft dus snelheid nodig om gecontroleerd te kunnen stijgen of dalen.

Bestand:Submarine diving 1.svg

Drijvend aan oppervlak met gesloten kleppen

Bestand:Submarine diving 2.svg

Begin duik met open kleppen

Bestand:Submarine diving 3.svg

Onderwater met volle ballasttanks en gesloten kleppen

Bestand:USS Salt Lake City (SSN-716) Arpa Harbor.jpg

Los Angeles-class onderzeeboot

Duiken is niet zonder risico[bewerken | brontekst bewerken]

Voor elk type onderzeeboot geldt een maximaal dieptebereik. Dit is een van de zorgvuldigst bewaarde geheimen. Aan boord weet alleen de commandant hoe diep zijn schip nog veilig kan duiken. Als het schip onder deze grens komt, wordt de romp samengedrukt (dit heet ook wel implosie; het schip implodeert). De bemanning komt daarbij vrijwel altijd om het leven. De sterkte van de romp van de onderzeeboot is mede afhankelijk van de ronde vorm. Het zal duidelijk zijn dat vervorming van deze romp, ook al is deze minimaal, grote invloed kan hebben op de toelaatbare duikdiepte.

Moderne onderzeeboten kunnen diepten van enige honderden meters in ieder geval bereiken; van de Russische militaire onderzeeboot Komsomolets (circa 1989) is bekend dat een diepterecord op 1000 m lag. Kleine onderzoeksonderzeeboten/duikboten zijn tot op de diepste plaatsen in zee op de wereld afgedaald, ook de bodem van de Marianentrog bij de Filipijnen die ongeveer 10,9 km diep is werd al in 1960 door Jacques Piccard in zijn bathyscaaf Trieste bereikt.

Om bij ernstige schade, waarbij het schip dreigt vol te lopen, nog een kans van overleven te hebben zijn onderzeeboten meestal verdeeld in verschillende compartimenten, die door middel van waterdichte schotten en deuren van elkaar zijn gescheiden.

Ligt het schip beschadigd op de bodem, dan is er - afhankelijk van de beschadiging en diepte waarop het ligt - soms nog ontsnapping mogelijk. Met speciale vesten en/of duikerpakken die enige overdruk van het water compenseren, kunnen bemanningsleden de onderzeeboot verlaten, als ze tenminste uit de compartimenten weten te ontsnappen. Ze worden dan naar de oppervlakte gedreven.

Inzet van de verschillende typen onderzeeboten[bewerken | brontekst bewerken]

Een onderzeeboot kan torpedo's en geleide wapens (bijvoorbeeld kruisraketten) afschieten. De wijze van inzetten is onder andere afhankelijk van het type onderzeeboot. Zo worden onderscheiden:

  • Minionderzeeboten: Voor offensieve taken in kustwateren. In de Tweede Wereldoorlog is door diverse partijen van minionderzeeboten gebruikgemaakt. Tegenwoordig is dit type niet meer in gebruik. Wel bestaan er nog zeer gespecialiseerde minionderzeeboten voor reddingsacties op de zeebodem.
  • Kustonderzeeboten: Kleinere vaartuigen (ca. 500 tot 1500 ton waterverplaatsing) voor surveillance- en aanvalstaken in kustwateren en besloten zeeën, zoals de Oostzee en de Middellandse Zee.
  • Het ballistische raket-type of strategische aanvalsonderzeeboten: Deze lanceren intercontinentale ballistische (kern-) raketten, zoals de Polaris, Poseidon en Trident. Onderzeeboten van dit type zijn van ca. 6500 tot 22.000 ton groot en vrijwel altijd van nucleaire aandrijving voorzien. Het middengedeelte van het schip bevat 12 tot 24 lanceerbuizen voor raketten.
  • De hunter/killer of attack-type: Voor het actief opsporen en bestrijden van vijandelijke onderzeeboten en oppervlakteschepen (zoals de hierboven getoonde onderzeeboot van de Los Angelesklasse). Dit zijn schepen van ca. 3500 tot 8000 ton waterverplaatsing en voorzien van nucleaire aandrijving. Een aantal hunter/killers heeft lanceerbuizen voor kruisraketten.

De dieselelektrische oceaangaande onderzeeboot is een zeldzaamheid geworden. Dit zijn vaartuigen tot ca. 3000 ton waterverplaatsing, die de taken toebedeeld krijgen van de hunter-killers en kunnen opereren in diepe kustzeeën. Door hun vermogen zich geruisloos te verplaatsen (vaak veel stiller dan een nucleair aangedreven onderzeeboot) zijn ze lastig te ontdekken tegenstanders. Deze eigenschap maakt ze bijzonder geschikt om inlichtingen te verzamelen dichtbij kusten, zelfs binnen de territoriale wateren, van andere landen. Binnen de NAVO hebben alleen Nederland (4) en Canada (4) nog vaartuigen van dit type. Daarbuiten onder andere nog Australië en Japan.

De atoomonderzeeër Koersk, die in 2000 verging, was een hunter/killer met lanceerbuizen voor zware anti-schip kruisraketten. Dit type is specifiek ontwikkeld voor inzet tegen vliegdekschepen.

De wereldwijde markt van onderzeeboten[bewerken | brontekst bewerken]

Van vijf landen is bekend dat ze nucleair aangedreven onderzeeboten bezitten: de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Rusland en China.

De Verenigde Staten bouwen al sinds de jaren zestig uitsluitend nucleaire onderzeeboten en hebben geen ervaring meer met het bouwen van en de mogelijkheden van conventionele onderzeeboten. Het Verenigd Koninkrijk begon einde jaren tachtig aan de bouw van een nieuwe serie dieselelektrische onderzeeboten (Type 2400, Upholderklasse), maar besloot na de val van het IJzeren Gordijn zich geheel toe te leggen op nucleaire onderzeeboten. De vier afgebouwde exemplaren van de Upholderklasse zijn verkocht aan Canada.

Het aantal landen dat de kennis heeft om moderne conventionele onderzeeboten te bouwen is beperkt. In elk geval Nederland (v/h bij Wilton-Fijenoord en RDM), Duitsland (HDW/Thyssen), Frankrijk (DCN), Japan en Zweden (Kockums). De onderzeebootbouw in Nederland is thans goeddeels verdwenen, de kennis ervan is weggevloeid bij de werven maar is nog wel aanwezig bij de Koninklijke Marine en bij het MARIN. Het Duitse HDW heeft het Zweedse Kockums overgenomen, waardoor het een vooraanstaande positie heeft verworven.

De onderzeeboten die andere landen in bezit hebben worden vaak gebouwd in samenwerking met het Duitse HDW (Israël, Griekenland, Zuid-Korea) of het Franse DCN (Pakistan, Spanje, Maleisië, India, Chili). Kockums bouwt voor de Zweedse marine en heeft destijds een werf in Australië overgenomen. Hier zijn de onderzeeboten voor de Australische marine gebouwd. Een vergelijkbare optie werd door HDW gevolgd, dat een Griekse werf overnam. Italië heeft na de Tweede Wereldoorlog nog aan aantal vaartuigen naar eigen ontwerp gebouwd, maar gebruikt inmiddels ook Duitse ontwerpen. Denemarken en Noorwegen hebben nog zelf (kust-)onderzeeboten gebouwd, maar ook die waren gebaseerd op Duitse ontwerpen.

Nederland heeft in de jaren tachtig van de 20e eeuw twee onderzeeboten aan Taiwan geleverd. Door de reactie van China daarop (een handelsboycot) hebben achtereenvolgende kabinetten daarop geweigerd een exportvergunning af te geven voor een vervolgorder.

Community content is available under CC-BY-SA unless otherwise noted.