Defensieweb wiki
Advertisement

Armand Jean du Plessis, hertog van Richelieu (Parijs, 9 september 15854 december 1642), algemeen bekend als kardinaal de Richelieu, was een invloedrijk Frans staatsman.

Al op 22-jarige leeftijd was hij bisschop van Luçon (1608–1624) en vanaf 1622 kardinaal.

Biografie[]

Richelieu toonde zich een ijverig en gewetensvol bestuurder en schreef enkele belangrijke werken van pastoraal-theologische aard. Op het vlak van de godsdienstige polemiek streefde hij, in de lijn van de jezuïeten, naar een vreedzame discussie met de protestantsgezinden, op grondslag van de Bijbel en de kerkvaders. In 1614 werd hij afgevaardigde in de Staten-Generaal en wist in de gunst te komen van de koningin-moeder, regentes Maria de' Medici, die hem in 1616 benoemde tot minister van Oorlog en Buitenlandse Zaken. Toen de jonge koning Lodewijk XIII zelf het roer in handen nam, wist Richelieu in 1620 de vrede tussen Lodewijk en zijn moeder te herstellen en sedertdien nam zijn invloed aan het hof voortdurend toe. Na de dood van de hertog van Luynes in 1621 werd hij in 1624 op voorspraak van koningin Maria eerste minister. Van dit ogenblik af werd het zijn doel het koninklijke gezag geheel te bevrijden van alle beïnvloeding door familieleden en vazallen. Het was het begin van "un grand règne sans un grand roi". Richelieu had de feitelijke macht overgenomen.

Op het vlak van de buitenlandse betrekkingen wist hij de koning ervan te overtuigen weer aan te knopen met de anti-Habsburgse politiek van zijn vader Hendrik IV. Dit streven was zuiver rationeel bepaald door het staatsbelang; Frankrijk had al ruim een eeuw met een als bedreigend ervaren omsingeling door de Duitse en Spaanse Habsburgers te maken. Dat de Habsburgers op hun manier altijd het katholieke geloof hadden verdedigd, was niet doorslaggevend voor Richelieu. Hij sloot bondgenootschappen met Karel I van Engeland en met andere protestantse staten zoals de Republiek der Verenigde Nederlanden, Denemarken en Zweden. Ook in de binnenlandse verhoudingen ging hij pragmatisch te werk Als hij de hugenoten bestreed, was dat alleen omdat dezen een staat in de staat dreigden te vormen, een gevaar dat hij wilde uitschakelen.


Toen de hugenoten in opstand kwamen, liet hij zijn relatief tolerante politiek varen. Hij leidde persoonlijk het beleg van La Rochelle (1625–1628) en legde drastische beperkingen op aan de politieke voorrechten van de protestanten, zoals die hen bij het Edict van Nantes in 1598 waren toegekend.

Intussen had Richelieu ook af te rekenen met een samenzwering van prinsen van den bloede: o.m. Hendrik van Condé, prins Gaston van Orléans (broer van de koning) en hun volgelingen. De koningin-moeder steunde deze klerikale adelspartij en trachtte haar invloed op Lodewijk XIII te herwinnen, hetgeen in de journée des Dupes (11 november 1631) mislukte. Maria de' Medici moest in ballingschap gaan, maar prins Gaston bleef complotteren. Richelieu beschikte over uiterst geraffineerde inlichtingen- en veiligheidsdiensten en over een eigen privé-militie van lijfwachten. Teneinde de macht van de regering te versterken ten koste van de adel, hervormde Richelieu ook het Franse bestuur.

De reeds sinds 1618 aan de gang zijnde Dertigjarige Oorlog, waarin de Habsburgers om behoud van hun macht vochten, verliep voor de Fransen niet naar wens. Na de Slag bij Nördlingen (1634), waarbij Habsburgse Duitse keizer een overwinning boekte op de steeds in het geheim door de Fransen gesubsidieerde Zweden, sloten de Zweden een afzonderlijke vrede middels het Verdrag van Praag (1635). Daarop besloot Richelieu rechtstreeks in te grijpen. In 1635 brak er openlijke oorlog met Spanje uit; in 1636 ook met de Duitse keizer. Aanvankelijk hadden de Fransen wisselend succes; ze waren aan de winnende hand op het ogenblik dat Richelieu in 1642 ernstig ziek werd en overleed.

Historische betekenis[]

Richelieu heeft ongetwijfeld de absolute monarchie van Lodewijk XIV voorbereid, alsmede het langdurige politieke, militaire en culturele overwicht van Frankrijk over West- en Midden-Europa. In 1635 heeft hij de Académie française een officiële status verleend.

De rode en de grijze eminentie[]

Verwijzend naar zijn rode cappa magna luidde Richelieu's bijnaam l' éminence rouge ('de rode eminentie'). De kapucijn Père Joseph (François Leclerc du Tremblay (1577-1638)) was een belangrijke vertrouweling van Richelieu. Zijn politieke invloed was daardoor groot, maar voor niet-ingewijden onzichtbaar. Vanwege zijn grijze kapucijnengewaad werd Père Joseph aangeduid met de nog steeds gevleugelde term voor invloedrijke figuren op de achtergrond: l' éminence grise ('de grijze eminentie').

Enkele van zijn werken[]

Advertisement