Defensieweb wiki
Advertisement
AMC-35.-Saumur

De AMC 35 was een Franse tank uit de Tweede Wereldoorlog die ook door België is ingezet.

Ontwikkelingsgeschiedenis[]

Het Plan 1931 van de Franse Cavalerie voorzag in de bouw van een Automitrailleuse de Combat. Renault ontwikkelde volgens de daarin opgestelde specificaties de AMC 34. Nauwelijks was het prototype daarvan aan het leger afgeleverd, of op 26 juni 1934 werden de gestelde eisen gewijzigd: de AMC moest een snelheid halen van 50 km/u en een bepantsering hebben die antitankkanonnen kon weerstaan.

Renault keerde terug naar de tekentafel. Op 7 maart 1936 leverde hij een vernieuwd prototype af met het verzoek dit snel te behandelen: de AMC 34 was immers al in principe goedgekeurd en als dit nieuwe model aan de eisen voldeed, zou het in die goedkeuring moeten delen. De materieelcommissie, de Commission de Vincennes, ging op 9 maart kijken. Bij het doornemen van de schriftelijke aanvraag was het haar al opgevallen dat het type een geheel nieuwe productiecode had: Renault ACG in plaats van Renault YR (Renault gebruikte nu een code met drie letters want men was door alle mogelijke combinaties van twee letters heen). Dit stemde al achterdochtig en inderdaad: hoewel het voertuig bij oppervlakkige beschouwing veel op de AMC 34 leek, leerde een nadere inspectie dat het in feite om een geheel nieuwe tank ging! Een volledig testprogramma werd bevolen. Hoewel bij het prototype al 500 km op de teller stond en Renault zelf dus kennelijk al uitgebreid getest had en mankementen had kunnen verhelpen, bleek het type zeer onbetrouwbaar. Op 17 november werd het testen opgeschort. De commissie beveelt op dat moment aan het rijbereik te verbeteren tot 180 kilometer en de reminrichting en de loopwielen te versterken — en keurt dan het materieel alsnog goed. Deze verrassende uitkomst is een gevolg van het feit dat de Cavalerie, ervan uitgaand dat het materieel gewoon een verbeterde AMC 34 is, tijdens de Rijnland-crisis begin 1936 eerst al zeventien exemplaren besteld had en daarna deze bestelling uitbreidde naar vijftig, voldoende om een regiment mee uit te rusten. Op dat moment waren er nog zeer weinig moderne tanks in Frankrijk. Politieke omstandigheden speelden ook een rol: de militaire tak van Renault werd in december 1936 door de nieuwe linkse regering van het Volksfront van Édouard Daladier genationaliseerd en hernoemd tot het staatsbedrijf AMX (Atelier d'Issy-les-Moulineaux). De productiecapaciteit mag daarom niet onbenut blijven. De commissie legt zich hier met tegenzin bij neer — het materieel voldoet immers niet aan de eisen van snelheid en bepantsering — maar wijst erop dat het aan te bevelen is voortaan een type echt te onderzoeken voordat men het bestelt. Op 1 november 1938 werd het eerste serie-exemplaar afgeleverd van de AMC Renault modèle 1935.

Beschrijving[]

Bestand:AMC-35-Saumur.00044pa3.jpg

De in 2006 gerestaureerde AMC 35 in Saumur

De AMC 35 komt met een breedte van 2,20 meter en een romphoogte van 1,55 meter in afmeting sterk overeen met de AMC 34; alleen is de romp verlengd naar 4,55 meter om er een Renault V-4 180 pk motor in onder te brengen met een cilinderinhoud van 11,08 liter die een snelheid mogelijk maakt van 42 km/u. De motor is een verkorte versie van de V-6 die voor de Char B1 bis gebruikt wordt. Omdat hij erg licht is, 1,3 kg/pk, probeert Renault hem nog aan te bevelen als mogelijke vliegtuigmotor. De productieversie heeft een vergrote brandstofvoorraad die een bereik mogelijk maakt van 160 kilometer. Het loopwerk heeft per zijde vijf loopwielen waarvan de voorste en de achterste vier per paar geveerd worden door een horizontale springveer in rubber gegoten. Het lijkt daarmee op dat van de Renault R35. De bepantsering is ten opzichte van de AMC 34 verhoogd naar 25 mm. De romp is geklonken maar het productiemodel gebruikt ook bouten. Het gewicht is 14,5 ton samen met de toren.

Het prototype was voorzien van een tweemans APX2-toren, uitgerust met een 25 mm SARF vestingkanon: een verkorte versie van het antitankkanon, dat ontwikkeld is voor gebruik in kazematkoepels (RF = Region Fortifiée). De bouw van fortificaties krijgt echter voorrang — bij de AMX 34 leidde dat ertoe dat de Cavalerie eerst APX1-torens installeerde en de tanks in Marokko maandenlang rond liet rijden zonder enige bewapening — en uiteindelijk rust men de koepel uit met een SA 35 47 mm kanon met een munitievoorraad van 96 granaten. De APX2 is een ingewikkelde min of meer achthoekige afgeschuinde constructie bestaande uit gegoten delen die ten dele gelast en ten dele samengeklonken zijn. De commandant-lader zit links, achter de 7,5 mm Reibel mitrailleuse; de schutter rechts. Achteraan bevindt zich een dubbelluik. De AMC 35 was daarmee de enige Franse tank na de Char 2C die géén éénmanskoepel had; het enorme tactische belang daarvan werd toen nauwelijks onderkend.

Productie en Export[]

Er zouden geen verdere bestellingen meer volgen: het aantal geproduceerde AMC 35's bedraagt dus in totaal vijftig. Toch vermeldden alle naslagwerken tot in de Jaren Tachtig een totaal van honderd voertuigen: 75 tanks voor Frankrijk en 25 voor België. Deze fout was een gevolg van een driedubbeltelling van het aantal Belgische tanks — welk aantal op zich ook nog eens onjuist was! België had in 1935 25 exemplaren van de AMC 34 besteld maar deze order moeten annuleren toen Renault afzag van verdere productie. Dit is de oorsprong van het getal 25. De connectie met de AMC 35 is dat de koepels, van het APX2 type, apart in 1936 waren geleverd. Dertien waren al gebruikt op kazematten van de kustverdediging. Toen de AMC 35 beschikbaar kwam, deed de Belgische minister van defensie, generaal Henri Denis, op 3 juni 1937 het verzoek alsnog twaalf tanks van dit latere type te leveren. De Cavalerie, die toen allang blij was voorlopig van het materieel af te zijn — men wilde namelijk alleen de veel beter gepantserde SOMUA S35 voor de gemechaniseerde lichte divisies gebruiken — stemde toe dat de eerste twaalf tanks aan België geleverd werden. Ondertussen hadden de Belgen nog eens twee koepels gebruikt voor kazematten bij Aywaille: slechts tien tanks konden dus van een koepel voorzien worden. Die koepels waren ondertussen, juist voor de kazematten, door de Belgen omgebouwd. Men had de 7,5 mm mitrailleuse vervangen door een 7,65 Maxim mitrailleuse (oudere bronnen vermelden een Hotchkiss 13,2 mm mitrailleuse). Omdat de patroonhouder daarvan veel dieper in de toren stak, had men de diascoop van het facet linksmidden verplaatst naar het facet linksachter en de opening met een pantserplaat dichtgelast. De torens hadden al bij levering de aanduiding APX2 B gekregen, waarbij "B" natuurlijk Belgique betekent.

De eerste tank, vermoedelijk was dit het prototype, werd in juli 1937 naar België gezonden. Daar stuitte de introductie ervan echter op politieke weerstand. De connectie met Frankrijk zag men ter rechterzijde als een gevaarlijke ondermijning van de neutraliteit; links meende dat men alleen puur defensieve wapens moest aankopen. Even overwoog het leger van aanschaf af te zien, maar in de zomer van 1938 aanvaardde men toch de resterende elf exemplaren. Toen deze order was afgewerkt, kon dan eindelijk de levering aan het Franse leger beginnen, maar dat proces verliep zéér traag; er werd ongeveer één tank per maand gemaakt. Het bovengenoemde exemplaar van 1 november 1938 was dus het dertiende; in maart 1939 zou het zeventiende geleverd worden; bij het begin van de Tweede Wereldoorlog lag het totaal op 22. Pas toen kwam er een versnelling, ongetwijfeld veroorzaakt door een ruimere toedeling van fondsen. Er werd een dubbele productielijn opgezet van twaalf tanks en de "massaproductie" kwam op gang: in september drie; in oktober negen; in november acht. In december werd de maandproductie van drie op speciaal verzoek geleverd aan België voor de wintermanoeuvres omdat de eerste tien al sterk versleten waren. In januari 1940 maakte een levering van vijf de order van vijftig rond: 35 aan het Franse leger en vijftien aan het Belgische (Dit is fout. België heeft in totaal slechts 10 ACG1's gekregen). In de Franse administratieve behandeling van de bestelling werd echter geen onderscheid gemaakt tussen tanks bestemd voor de cavalerie en exporttanks: men turfde slechts af op het bestelde totaal van vijftig. Doordat Renault genationaliseerd was, vielen bij het oude contract de posities van schuldeiser en schuldenaar immers in één hand: alle tanks waren op het moment van gereedkomen eigendom van de Franse staat en die leverde ze weer aan België.

In 1947 onderzocht een parlementaire commissie de oorzaken van de nederlaag; daarbij worden de aanklachten tijdens het beruchte Proces van Riom door het Vichy-regiem uit 1942 opnieuw behandeld. Was één daarvan inderdaad een tekort aan tanks geweest? Alle betrokkenen haasten zich te verklaren dat dit pertinent onwaar is. De minister van bewapening in 1940, Dautry, geeft een aantal van 3697 moderne tanks op 1 mei 1940. De directeur van Renault, Peyrecave, meent dat de minister nog te bescheiden is geweest: het aantal geproduceerde tanks zal op dat moment eerder rond de 3850 hebben gelegen. Gevraagd zijn hogere schatting toe te lichten, verwijst hij naar het feit dat er een vertraging zit tussen productie en levering en dat "twee van onze [Renaults] types over het hoofd zijn gezien, de AMC 34 (12) en de ACG1 [AMC 35] (75)". Het getal van 75 is kennelijk tot stand gekomen door abusievelijk het (foute) aantal Belgische tanks bij de werkelijke totaalproductie op te tellen. Uit verklaring noch context valt dit echter direct op te maken met als gevolg dat als generaal J. Molinié eind Jaren Zestig Les Materiels Blindés de Combat schrijft zonder de primaire bronnen te onderzoeken, hij aan die 75 opnieuw 25 toevoegt voor een totaal van honderd waarin de Belgische voertuigen dan driemaal meetellen.

Operationele Geschiedenis[]

Frankrijk[]

In Frankrijk deed men eerst helemaal niets met het materieel; er waren twee programma's voor ombouw maar die mochten niet worden uitgevoerd omdat men vanaf de zomer van 1939 eigenlijk klaar stond alle voertuigen gratis aan België over te dragen zodra dat land tekenen vertoonde er een nieuw cavalerieregiment mee op te willen richten. De drie tanks in december 1939 werden ook gratis geleverd, met als gevolg dat hun bestaan lange tijd onopgemerkt is gebleven. België was er echter niet happig op nog meer AMC 35's op te nemen: daar had men als enige praktijkervaring met het type opgedaan en wist men dat de tank eenvoudigweg niet sterk genoeg was voor zijn eigen motor. Hij kon de krachten die het terreinrijden op chassis en ophanging uitoefende niet doorstaan.

In mei 1940 veranderde Sitzkrieg eenklaps in Blitzkrieg. De kritieke situatie vanaf 15 mei eiste dat al het aanwezige materieel ertegen aangegooid werd om de gaten in het front te dichten. Bij de AMC 35 leverde dat het probleem op dat men in het geheel geen bemanningen opgeleid had voor het type. Het werd dus maar ingezet op de meest informele manier: eerst werden er op 15 mei vijftien organiek (in feite twaalf) toebedeeld aan de provisorische 11e Groupement de Cavalerie die werd toegevoegd aan het 19e GRCA (Groupe de Reconnaissance de Corps d'Armée); daarna werden er vijf nog lossere Corps-francs Motorisés mee opgericht met een nominale sterkte van zeven AMC's per "vrijkorps". Daarbij vergat men dat er van de vijftig al vijftien aan de Belgen waren geleverd en twee waren omgebouwd bij projecten. Er waren dus maar achttien tanks voorradig. De feitelijke sterkte was eerst nog minder: twee bij het 1e CFM, één bij het 2e CFM en twee bij het 4e CFM. Daarmee vocht men vanaf 5 juni tussen de Somme en de Loire. Nog een zevental andere tanks werd op tijd rijklaar gemaakt en naar deze gelegenheidseenheden gezonden. De geschiedenis van deze groepen is goed gedocumenteerd omdat hun commandanten al tijdens de oorlog boeken over hun avonturen schreven. Die werken tonen grote ontsteltenis over de krakkemikkigheid van het materieel en het hoge brandstofverbruik. Kennelijk was al na twintig kilometer in het terrein de benzinetank leeg.

België[]

Op het moment van de mobilisatie in september 1939 werd van de tien Belgische tanks de tank die het meest versleten was naar het Arsenaal van Etterbeek gezonden om opgelapt te worden met onderdelen van de twee rompen die niet van een koepel hadden kunnen worden voorzien. Op het moment van de Duitse inval was die nog niet gereed. Ze hadden echter wel gezelschap gekregen van drie alsnog versleten tanks die vervangen konden worden door de leverantie van december 1939. In feite werden alle zes voertuigen ter "kannibalisering" gebruikt om de overige rijdend te houden. Daarvan was er één een lesvoertuig voor de rijopleiding.

De acht overige tanks werden bij de Cavalerie gebruikt voor een Eskadron Pantserwagens (Escadron d'Auto-blindés) — hoewel de AMC 35 natuurlijk géén pantserwagen was. Het eskadron, onder commando van kapitein R. Hullebroeck, bestond uit twee pelotons van vier tanks. Het eerste peloton, onder luitenant Gailly, gebruikte manschappen van het 1er Guides, het tweede, onder luitenant Schreiber, mannen afkomstig van het 2de Lansiers. De voertuigen waren voorzien van een embleem: een grote witte neushoornkop en profile op de linkervoorzijde van de toren.

De tanks werden eerst misbruikt voor het najagen van denkbeeldige Duitse parachutisten. Daarna verdedigden ze verspreid het kanaal van Willebroek. Op 17 mei dekten ze mede de terugtocht van het leger; op 19 en 21 mei voerden ze tegenaanvallen uit bij Zwijndrecht en Kwatrecht. Daarbij werden vier tanks door 37 mm PAK-vuur vernietigd; twee vielen tijdens de campagne uit door pech. Vijandelijke tanks hebben ze niet ontmoet.

De Duitsers noemden de buitgemaakte AMC 35's Panzerkampfwagen AMC 738 (f) of (b). Ze hebben ze niet operationeel ingezet.

Projecten[]

Rookgordijnlegger[]

Eén romp van een AMC 35 werd bij het COMAM (Centre d'Organisation Motocyclistes et des Automitrailleuses de Montihéry) omgebouwd tot rookgordijnlegger. De bovenplaat werd verwijderd; bovenop de motor kwam een compressor en in de twintig centimeter verhoogde gevechtsruimte werden bovenop een persluchtreservoir 19 flessen van 165 liter met rookvloeistof geplaatst. Rechts van de chauffeur werd er voor de commandant een bolvormige gelaste kazemat geplaatst met de optica naar de achterkant gericht — in geval van actie de kant van de vijand. Het bleef bij één prototype.

Tankjager[]

Eén romp van een AMC 35 werd gebruikt voor de bouw van een tankjager, een gemechaniseerd geschut van 75 mm. Al in 1936 was besloten het vijftigste voertuig zo om te bouwen. Het ontwerp werd dat jaar bij Renault getekend door ingenieur Gérin. Pas na het begin van de oorlog, Gérin was ondertussen als reserveofficier bij de Chars de Combat gemobiliseerd, werd met de bouw begonnen. Dit project kreeg meteen in 1936 de naam ACG2 met als gevolg dat de AMC 35 door vele bronnen de ACG1 genoemd wordt. Opnieuw bleef het bij een prototype.

Afloop[]

Bestand:AMC35Turret.jpg

De toren van de AMC 35 te Brussel

In het tankmuseum van Saumur werd sinds enkele jaren het wrak van een AMC 35 opgeknapt; in 2006 is dit gereedgekomen. In het Koninklijk Museum van het Leger en de Krijgsgeschiedenis te Brussel bevindt zich een APX2 B toren, van een kazemat uit Zeebrugge afkomstig, die door deze stad voor 99 in bruikleen gegeven is.

Hoewel het feitelijk belang van het materieel gering was, heeft de AMC 35 zich een prominente plaats weten te verwerven in de discussie over de oorzaken van de Franse nederlaag. Omdat de tank als enige een meermanskoepel had en veel goedkoper geproduceerd had kunnen worden dan de even krachtig bewapende SOMUA S35 of Char B1 bis, is het voertuig wel beschouwd als een enorme gemiste kans; men had immers, zonder een sou meer uit te geven, het leger kunnen voorzien van wel drieduizend tanks die ons veel beter geschikt lijken voor een moderne bewegingsoorlog. De mechanische en tactische kwetsbaarheid van het materieel wordt daarbij over het hoofd gezien als mede het feit dat Frankrijk door tekorten aan getrainde mankracht niet in staat zou zijn geweest grote gemechaniseerde eenheden extra te formeren — al in mei 1940 had men veel meer tanks dan men kon bemannen.

Advertisement